“Toen ze de ... zijn komen halen...”


Ken je de bekende verzen van dit gedicht dat gewoonlijk toegeschreven wordt aan de dramaturg Bertolt Brecht, maar die eigenlijk geschreven werden door de minder bekende lutheriaanse predikant Martin Niemöller? Deze eenvoudige en onmiddellijke verzen zijn zowel een kritiek op de onverschilligheid tegenover het kwaad, een onverschilligheid die zware gevolgen heeft, en een beschouwing over de aard van die onverschilligheid. Ze laten ons zowel de oorzaak als het gevolg van onverschilligheid aanvoelen. We blijven werkeloos toezien op het kwaad wanneer en omdat het anderen treft, ver weg van ons. Daarom komen we niet tussenbeide, om niet zelf in contact te komen met het kwaad en omdat het ons fundamenteel niet aangaat. Deze onverschilligheid laat aan het kwaad echter toe te groeien, zich te versterken, zich te verspreiden waardoor de waarschijnlijkheid dat wij er op onze beurt slachtoffer van zullen worden verhoogt. Daarom onthult ons gebrek aan belangstelling, dat ons op korte termijn misschien kan beschermen, zich op lange termijn net nutteloos, of zelfs dodelijk. Want het kwaad stopt niet vanzelf.

Wat doen dan? Onmiddellijk tussenbeide komen uiteraard, vooraleer bovenaan de lijst te belanden. Onmiddellijk, bij de eerste verschijning van het kwaad. Maar de logica van dit antwoord broedt in zichzelf haar eigen gruwel. Want krachtig tussenbiede te komen moet de kwestie ons eigenlijk aangaan, moet ze zoveel mogelijk mensen aangaan, moet ze elkeen aangaan. Als de socialisten, de communisten, de joden, de zigeuners, de homoseksuelen... tegelijkertijd tegen het nazisme in actie waren geschoten, als ze niet wederzijds de ogen gesloten hadden voor het onheil van de anderen, dan zouden de dingen anders uitgedraaid zijn en dan zou de bruine pest misschien veel vroeger uitgeroeid zijn geweest. De vraag is dus: wat had hen er kunnen toe aanzetten om in die zin tussenbeide te komen? Waarom zouden uiteenlopende, vreemde soms zelfs vijandig tegenover elkaar staande individuen plots aan dezelfde kant van de barricade hebben moeten bevinden? Eerlijk gezegd was het veel makkelijker om zich te laten gaan in nonchalance en te zeggen: “als een onbekende of de oude tegenstander uitgeschakeld wordt, wel, dan kan dat een goede gelegenheid zijn om het glas te heffen, niet om zich zorgen te maken over wat morgen voor ons in petto heeft. De vijand van mijn vijand, bijvoorbeeld, is misschien dan wel niet mijn vriend, maar hij wordt ook niet noodzakelijkerwijze mijn vijand.” Om deze steunpilaar van de onverschilligheid te ondermijnen, of eerder, om te proberen een intelligentie te verspreiden die in staat is te zien om te voorzien, suggereert de wijsheid om een veel makkelijkere, maar schuivende binnenweg te nemen. Het verschil met de anderen werd uitgeschakeld door een bredere collectieve “wij” te verzinnen, in staat om veel mensen samen te doen houden doorheen een band die solidariteit genoemd werd. Een solidariteit die – laten we maar vermijden om er de etymologie bij te sleuren, een onaangenaam tijdsverdrijf dat ons de mond zou vullen met een smaak dichtbij geld en soldaat – haar meest nobele oorsprong vindt in de Franse revolutie als synoniem voor broederschap, toebehoren aan eenzelfde entiteit (het doet er niet veel toe of die natie, staat, mensheid, gemeenschap of beweging noemt). En daar komt de gruwel uit de mouw: deze entiteit die ons zou moeten verenigen bestaat eenvoudigweg niet, het is een fetisj om de demon van de individualiteit uit te schakelen. Het verschil dat ons kan verdelen ontkennen is daarenboven het beste geschenk dat je kan geven aan degenen die het verschil vooral zien als een opportuniteit voor verovering. Want eens dit verschil begraven, gesublimeerd, weggehaald, weggeduwd wordt, zal het desondanks blijven doorknagen in elk van ons om dan vroeg of laat te ontploffen onder de vorm van burgeroorlog. Daarenboven is het eerder grappig dat men om de onverschilligheid te bestrijden aandringt het fundamentele axioma ervan te bevestigen: zich slechts bekommeren om wat er met “ons” gebeurt. Het is waar, niet, het volstaat gewoon om ons concept van “wij” uit te breiden!

En pech voor de anderen, die zullen blijven bestaan, maar in kleinere aantallen. Wanneer ze hen zijn komen halen, nee, werkelijk, wat hadden we kunnen doen? Niets, ze waren niet zoals ons! Ze maakten geen deel uit van onze groep, van onze beweging, van onze gemeenschap... Want in ons hoofd is ondertussen dat idee van een soliditeit vastgegroeid, van een Geheel als enig mogelijk criterium voor alle interventie tegen het kwaad; en deze zoete solidariteit moet naar onze broeders gaan, naar het bloed van ons bloed, naar de leden van de eigen gemeenschap. De anderen, vandaag zoals gisteren, kunnen de boom in. “Als ze één van ons raken, raken ze ons allemaal”, nietwaar soms? En dus, als ze één van de anderen raken, dan is het alsof ze niemand raken: wie kan het wat schelen? Wanneer ze begonnen zijn met Daspo* toe te passen op de voetbalhooligans, wie lag daar nu van wakker? Alles bij elkaar genomen hadden die “fanatici zonder hersenen” dat wel verdiend. En op dezelfde manier is vandaag niemand verbolgen wanneer een “maniakaal varken”, schuldig drie minderjarigen geld gegeven te hebben in ruil voor seks, veroordeeld wordt tot vijftien jaar gevangenis. Een waanzinnige, absurde en buitensporige straf toch... maar wie kan een dermate afstotelijk personnage wat schelen? Zonder het te hebben over fasciten, tegen wie sommigen zelfs een repressie gezegend door de wet vragen. Gisteren was het al het geval tegen homoseksuelen en zigeuners. Laten we eerlijk zijn: als iemand geen deel uitmaakt van “wij” is het makkelijker om hem of haar te negeren. In het bijzonder omdat niemand het risico wil lopen gezien te worden als “één van hen”.

Het is waar, de binnenweg van het collectieve “wij” was een makkelijke helling om af te dalen terwijl de andere hypothese dat allesbehalve is. Hoe kun je doen begrijpen dat er geen gemeenschappelijke wij is om zich in te herkennen? Dat we divers zijn, dat we verschillend zijn, dat we uniek zijn? Met enkelen kunnen we overeen komen, met vele anderen niet. Soms minachten we elkaar ook, soms verafschuwen we elkaar echt. Maar deze afwezigheid van gemeenschap zou niet mogen leiden tot onverschilligheid. Omdat, wanneer ze hen zullen komen halen, zal je op z’n minst de stoutmoedigheid moeten hebben om tussenbeide te komen. Niet voor hen, niet in solidariteit met degenen die onderdrukt worden, maar altijd en sowieso tegen de staat, uit haat voor degene die onderdrukt. Tussenbeide komen, niet om degenen die lijden te verdedigen, maar om degenen die doen lijden aan te vallen. Zonder hypocrisie, zonder manipulatie, volstrekt bewust dat de macht ons morgen kan aandoen wat ze vandaag anderen aandoet. En dat is een meer dan voldoende reden om niet onbewogen te blijven, om zoveel ogelijk mensen te proberen bewegen, elk één misschien. Niet in koor, op het ritme van één enkele partitie, maar in verspreide slagorde, elkeen zoals hij wil. Het feit de gevangenissen te haten, te willen dat ze met de grond gelijk gemaakt worden, betekent bijvoorbeeld niet om dat je van iedereen houdt die erin opgesloten zit. Ik voel geen enkele solidariteit, geen enkele empathie voor mafialeden, verkrachters, pooiers, fascisten en andere rotzakken van die aard. Enkele jaren geleden zei een kameraad die net was buitengekomen na een zoveelste gevangenisstraf dat de slogan “Vuur voor de gevangenissen!” juist was, maar ietwat beperkt. Dat je zou moeten verduidelijk dat je vervolgens voor de ingang moet gaan staan met een precisiegeweer om de gevangenen die eruit komen neer te knallen. Hij raadde aan om veel kogels mee te nemen, want je zou ze zeker nodig hebben. De toon van zijn woorden was lachend, de substantie ervan niet. De gevangenen worden niet allemaal helemaal mooi (en revolutionair) gewoon omdat ze de triestige conditie van gevangenschap ondergaan.

Op dezelfde manier wordt degene die getroffen wordt door repressie niet automatisch mijn kameraad. Ik voel niet noodzakelijkerwijze solidariteit voor hem. Zijn persoonlijke lot zou me, op zich, zelf bijna onverschillig kunnen laten. Als het over iemand gaat die ik minacht (en waarom ook niet, vermits de repressie uiteindelijk iedereen zonder onderscheid treft), waarom zou ik me dan zorgen moeten maken over hem? Het interesseert me niet om zijn procesdagen bij te wonen, ik ben niet van plan om voor de gevangenis te gaan staan waar hij opgesloten zit, het kan me niet schelen hem mijn solidaire stem te laten horen. Voor mij zou hij evengoed niet kunnen bestaan. Dat gezegd zijnde kan de eventuele aversie op geen enkele manier onverschilligheid en passiviteit rechtvaardigen. Wat bezorgdheid opwekt en aanspoort tot actie kan niet het lijden zijn van degene die opgesloten zit, maar de kracht van degene die hem opsluit. Deze kracht neemt dag na dag toe en moet geblokkeerd, gesaboteerd, een halt toegeroepen worden. Onmiddellijk. Altijd.

Maar hoe een interventie tegen de repressie verbeelden en in gang steken die volledig onafhankelijk is van de aard van wie onderdrukt wordt? Ja, hoe, vooral vandaag, nu het individu alsmaar minder in de mode is? Nochtans moet er wel degelijk begonnen worden met erover na te denken als we niet willen verdergaan met ons geklemd te voelen tussen het alternatief werkeloos toe te zien of de handen uit de mouwen te steken gewoon om gegeneerde schouderklopjes te geven aan degenen die “wij” vormen.


13/05/2016


* Nvdv. Daspo (Divieto di Accedere alle manifestazioni SPOrtive) werd in 1989 in de Italiaanse wetgeving opgenomen. Dit administratief verbod om in de buurt van een voetbalstadion te komen, uitgevaardigd op basis van proces-verbalen, kan gepaard gaan met de verplichting om op het commissariaat te komen tekenen tijdens de voetbalmatchen.